SNEEUW – een Kerstverhaal

Vanaf haar kant van de tafel kon ze naar buiten kijken. Jaap zat tegenover haar, al zolang ze wist. Hij las aan tafel graag de krant. Inmiddels deed hij dat niet meer breeduit van papier maar met kleine veegjes op de iPad. Nog steeds had hij graag een stevig tafelblad voor zich. Zij keek liever naar wat er aan de andere kant van het raam gebeurde. Vandaag was er veel te zien, want het sneeuwde. De vlokkenregen hield haar blik gevangen. Steeds hetzelfde van
boven naar beneden, -van alzo hoge, van alzo veer-, steeds onverwacht anders. Hoe vaak had ze in haar leven al zulk sneeuwen meegemaakt? Toch voelde het deze ochtend als een ontdekking, die mocht duren en duren. De ontbijtspullen stonden nog op tafel, maar dat gebeurde wel vaker, ‘s morgen hadden ze geen haast.

‘Jaap?’ Hij antwoordde met een vriendelijk ‘hmm’. Jaap zei nooit zoveel, dat was ze wel gewend. Zij was de prater en hij ontving haar woorden, allebei tevreden. ‘Astrid is onze woordvoerder’ had Jaap eens tegen vrienden gezegd. ‘Voor mijn gevoel is de sneeuw anders, Jaap. De vlokken lijken zo iel, zo breekbaar. Wat is nu één sneeuwvlok? Je kunt die
niet eens beetpakken. Maar toch. Toch heeft vandaag zoveel keer één sneeuwvlok de wereld veranderd. De oude vormen zijn al niet meer te zien. De straat en de stoep en het gras in het park zijn weer één geheel geworden. Alles hoort weer voor even bij elkaar. Alsof we een nieuw begin krijgen. Zelfs het bord hier tegenover is bekleed met koud witsel, het vertelt niet langer dat het verderop doodloopt. Je mag weer opnieuw je eigen weg vinden.’

‘Je zult wel moeten’ zei Jaap zonder zijn blik van het wereldnieuws te halen. ‘Dat is ook zo. Maar dat zal tegenvallen als je hier niet bekend bent. Want waar kun je je in een witte wereld aan oriënteren? Jaap, jij had me toch verteld dat ze in de oorlog de richtingborden omdraaiden, zodat de bezetter de weg niet kon vinden? Of heb ik dat op tv gezien? Met opzet in de verkeerde richting gestuurd. Zal wat geweest zijn. Bovendien willen mannen de weg niet vragen, die willen zelf vinden waar ze moeten zijn, hè Jaap? Misschien was dat iets van vroeger en zijn de jonge mannen niet meer zo.’

Och, zelfs als de bordjes goed staan kan het nog ingewikkeld zijn. In het ziekenhuis merkte ze dat elke week. Sinds ze daar gastvrouw was had ze als taak om in de buurt van de ingang mensen op te vangen. Vrijwilligerswerk dat haar op het lijf geschreven was. Goed kijken, je ziet het al aan hun gezicht ‘waar moet ik zijn?’. Een van haar collega’s had tijdens het inwerken gezegd: Onthoud maar, als mensen denken ‘waar moet het met mij heen, wat staat me te gebeuren’, vragen ze eerder ‘waar moet ik heen?’. Zo is het precies. Soms vertelden ze haar al bij de ingang wat er met hen aan de hand was. Alsof ze niet konden wachten, zo hoog zat het. Zo kwetsbaar waren mensen. Vaak liep ze maar even mee naar de betreffende balie of afdeling. ‘Zei u nou linksaf? Ik weet het niet meer.’ Als je vol bent van
het een kun je het ander moeilijker ontvangen. Even met elkaar meelopen, dat was toch je taak in het leven?

‘Ik denk dat Erik vandaag al vroeg begonnen is.’ Jaap keek nog steeds niet op, maar zijn woorden verklapten dat hij de sneeuw toch ook in beeld had. Hun zoon Erik was chauffeur voor de gemeente, maar werd in de winter vaak uitgeleend aan Rijkswaterstaat. Op de strooiwagen rijden vond hij mooi werk. ‘Waarschijnlijk heeft hij zijn bed nog niet gezien’ antwoordde Astrid ‘want het was al voorspeld’. Ze dacht aan hoe hun gekke Erik over dat werk vertelde. Hij ging al jaren niet meer naar de kerk en wist dat zijn moeder dat jammer vond. Meer dan jammer. Hij wilde haar dan troosten met zijn vaste zin ‘moedertje zit er maar niet over in, want ik ben de wegbereider.’ Toen ze de eerste keer verbaasd gekeken had, vulde hij aan met ‘Je wou toch niet zeggen dat Johannes onbelangrijk was?’ Maar ook
zonder gekheid merkte je dat hij dit werk iets bijzonders vond. Hij leverde er vaak slaap voor in. ‘Als ik kan zorgen dat iemand veilig op zijn bestemming komt, dan is het zo zinvol wat ik doe. Al is het maar voor één mens.’ Johannes op de strooiwagen. Ze was trots op haar zoon.

De gedachte aan Johannes bracht nog iets heel anders naar boven: ‘Jááp, je zou me helpen herinneren aan dat Kerstverhaal. Nu heb ik nog maar twee dagen.’ Ze had beloofd om dit jaar bij de kerstmiddag in de wijk iets te vertellen. ‘Jij bent van de kerk, Astrid, dat is net wat voor jou.’ Haar jonge buurvrouw Rachel (Reedsjel) die dat zei, was thuis van de vele beelden en beeldjes, maar buiten wist ze niet wat ze daarover kon delen. Bovendien zou ze het niet kunnen doen, want ‘ze wist nu al dat ze die dag niet fit was’. Ja, ja, aloude smoesjes. Astrid had het zoeken naar een verhaal te lang voor zich uitgeschoven. ‘Wat moet ik nou vertellen, Jaap? Het begin zit me in de weg. Dat Maria op pad moest terwijl ze al zo ver in verwachting was. Ik weet nog goed hoe spannend ik het zelf vond, toen Erik zou komen. Je weet alles en je weet niks. Als ik dan ook nog eens op reis had gemoeten… Weet je nog, op het beslissende moment was ik alles vergeten. Als toen buurvrouw Jake niet was gekomen en rustig op me in had gepraat, dan was het spaak gelopen. Dat weet ik nog steeds zeker. Ze ging echt met me mee door de schrik en de pijn heen. Zelf nooit kinderen gekregen, maar mij kon ze de weg wijzen. Ik zal haar niet vergeten. Hoe kan ik dan geloofwaardig vertellen
dat Maria haar eerste kind kreeg terwijl alles vreemd was? Bovendien dat moeilijke gevoel dat je niet echt welkom bent. Dat niemand in de herberg plaats voor je maakt. Zoals wij nu weten dat er mensen in vluchtelingententjes de winter door moeten. Wat kan daar nou voor goeds uit voortkomen? Die mensen voelen zich een leven lang misplaatst, met alle gevolgen van dien. Dat kan ik toch niet vertellen in een Kerstverhaal?’

Al is er misschien nog een andere kant aan jezelf misplaatst voelen, bedacht ze. Ze had gelezen over een beroemd man, geboren in Nederland, verhuisd naar Amerika. Een heel knappe kop, hij werd professor in de theologie. Gaf les aan maar liefst twee topuniversiteiten. Je zou zeggen: dan is je kostje gekocht. Maar hij voelde onrust, hij dacht
dat hij er niet op zijn plaats was. Hij vertrok naar een klooster en werd broeder met de broeders. Hoe rijk de stilte en de liturgie daar ook waren, hij ging er weg. Dit was het niet voor hem. Hij werd missionaris in een sloppenwijk bij Lima in Peru. Daar leerde hij veel en deed er veel goeds, maar nog steeds was hij niet thuis. Is het misschien te hoog gegrepen om te denken dat je echt je plaats zal vinden in dit leven? Hoort het bij volwassenheid om toe te geven dat je je uiteindelijk altijd min of meer misplaatst weet? Zo ging hij toch maar terug naar het lesgeven aan de universiteit. Daar kreeg hij de uitnodiging om pastor te worden in een huis voor mensen met een beperking. Lichamelijk en of verstandelijk. Zou dat niet onder zijn niveau zijn, voor zo’n knappe man? Het veranderde zijn leven en zijn geloof.

In de ontmoeting met mensen die merkbaar kwetsbaar waren, ontdekte hij dat ook zijn eigen kwetsbaarheid voor de dag mocht komen. Moest komen. Henri Nouwen, zo heette hij, werd pastor voor anderen, maar vond er ook pastors voor zichzelf: De gehavende, volmaakt geliefde, medemensen in de zorginstelling. Dat zou een boodschap van Kerst kunnen zijn, de ontdekking dat je vooraf niet weet waar je op je plek bent. Dat je daar een weg met God en
mensen voor moet durven gaan.

Maar wacht, ik geloof dat mevrouw Oldenziel al eens over Henri Nouwen verteld heeft. Och ja, het is ook zo. Dan weet ik al hoe ze naar me zal kijken als ik het ook over hem heb. Ik kan er nu al pijn in mijn buik van krijgen. Nee, die weg zit dicht.

‘Jaap, zit nou niet steeds met je ogen bij het nieuws, kijk me eens aan. Help me toch, waar moet ik het verhaal over vertellen?’ Hij begon met haar toe te knikken en wat langer aan te kijken. ‘Och mijn lieve, ik dacht dat je het allang wist. Het is je al in de schoot gevallen, je werd erdoor geraakt. Er is ook iemand met jou onderweg. Vertel ze maar over sneeuw.’

In het wijkcentrum was ze in de kring blijven zitten en had zo tussen de anderen in gedeeld wat haar was overgekomen. Hoe haar met een sneeuwvlok over Kerstfeest was verteld, maar dat ze nog niet luisterde. Misschien was ze zo gericht op met anderen meelopen, dat ze vergat om zich te oriënteren. Zelf een mens van de Weg te zijn. Iemand die door een nieuw landschap mag gaan. In mijn rugzak de dingen van mijn leven, wat gebeurd is en wat ik meedraag. Maar op het Kerstfeest word ik uitgenodigd om weer op weg te gaan. Hoopvol te gaan. Het kind van Gods aanwezigheid is geboren. Kwetsbaar en sterk als sneeuw verandert hij mijn wereld. Als een nieuwe kans, als durven geloven in een nieuw begin van leven. Sneeuw die warmte brengt.

Jaap zat zonder woorden naast haar, maar iedereen kon zien dat hij veelzeggend op zijn plek
was.

ds. Michiel de Zeeuw