Wie wij zijn
PKN Dordrecht
Contact
Agenda
Eredienst
Kerkgebouw
Het orgel
Jongeren
WIL-actief
Wilvaardig (E-zine)
Kerk Web Radio
Calvijnjaar
Kunstgaanderij
Cantatediensten
7 februari 2010
1 november 2009
17 mei 2009
18 januari 2009
2 november 2008
4 mei 2008
13 januari 2008
28 oktober 2007
6 mei 2007
21 januari 2007
29 oktober 2006
Inschrijfformulier
Dordtissimo
Psalm 43 / 4 mei
De Kerken
Huiskamerdagen
Fotoalbums
Diversen
Links
Gastenboek

Snel zoeken:

Ga naar het reactieformulierContact

Stichting Hulp in Praktijk (HiP)

Laatste wijziging:
4 September 2010





Terugblik op zondag 7 februari 2010: Cantate BWV "Allein zur dir, Herr Jesu Christ"


Persoonlijk verslag en terugblik van één van de cantatezanger, Maria van Strien

Op 7 februari jl. werd alweer voor de elfde keer een cantatedienst gehouden in de Wilhelminakerk. Deze keer werd de cantate BWV 33: Allein zu dir, Herr Jesu Christ uitgevoerd, die Bach schreef voor de dertiende zondag na Trinitatis. Hij werd voor het eerst uitgevoerd op 3 september 1724 en behoort tot de tweede jaargang van Bach’s cantates gebaseerd op oude Lutherse kerkliederen, passend bij de zondag van het kerkelijk jaar.
De titel verwijst naar Jezus als aanspreekpunt van mensen en Jezus, in zijn
barmhartigheid, als ‘sprekend de Vader.’ De inhoud kan als volgt kort worden samengevat:
De cantate opent met een groots opgezette koraalbewerking. Koorzang wordt omspeelt door orkestklanken; het koor zingt dat onze hoop is gericht op Jezus Christus, de trooster, in wie men zijn vertrouwen stelt. De cantate wordt verder gedragen door maar liefst drie solisten.
In het recitatief bezingt de bas het besef van zonden, vanuit het vertrouwen dat er op vergeving mag worden gerekend. Vervolgens ‘vertellen’ de altus en tenor dat het troostwoord van Jezus hulp biedt, en bidden zij om het ware Christengeloof, gevoed door en uitlopend op barmhartigheid. In een duet van tenor en bas wordt dan gebeden om hulp en kracht om God en onze naaste lief te hebben. In het slotkoraal wordt eer gebracht aan “God, de Vader van al het goede, aan Jezus Christus, zijn liefste Zoon die ons altijd behoedt, en de Heilige Geest die ons altijd zijn hulp geeft, opdat wij Hem welgevallig zijn, hier in deze tijd en tot in eeuwigheid.”
De muziek werd verzorgd door het inmiddels welbekende Wilhelmina Cantate Orkest onder leiding van Jouke van der Leest. Wendeline Wilmink en Godelinde Doolaard namen de continuo voor hun rekening en de soli werden gezongen door altus Jorg Delfos, tenor Ard Verkerke en bas Peter Scheele. Het Wilhelmina Cantate Koor bestond deze keer uit 66 zangers (71 mensen hadden zich aangemeld, maar 5 moesten zich wegens ziekte jammer genoeg afmelden). Inmiddels is de cantatedienst zo’n beetje een landelijk evenement aan het worden! Er waren zangers uit de Drechtsteden, Den Haag, Strijen, Maasdam, Ridderkerk en HI Ambacht, en verder uit Bergen op Zoom, Rozenburg, Sleeuwijk, Krimpen a/d IJssel — zelfs uit Marum in Groningen! Met 15 bassen en 10 tenoren waren de heren enigszins in de minderheid, dus in dit kader las ik een oproepje in: er kunnen met name bij de tenoren nog wel een paar heren of dames (jawel!) bij. Meldt u aan voor 3 oktober!
Na afloop van de dienst werden door vele bezoekers lovende woorden gesproken, voor koor en orkest, en met name voor Jorg Delfos, die veel indruk maakte met zijn hoge en loepzuivere aria. Dus: om onze onvolprezen dirigent Ds Ries van der Zouwen te citeren: “Een dag met een gouden randje”.

Een fragment uit de dienst van zondag 7 februari:


Klik hier voor ons Cantatefotoboek.


Toelichting

De cantate Allein zu dir, Herr Jesu Christ voor de dertiende zondag na Trinitatis werd voor het eerst uitgevoerd op 3 september 1724 en behoort tot de tweede jaargang cantates die Bach als Thomascantor in Leipzig schreef.
Bachs productiviteit in zijn eerste jaren in Leipzig is onvoorstelbaar, zowel in kwantitatief als zeker ook in kwalitatief opzicht. Kennelijk was het zijn bedoeling uitsluitend composities van eigen hand uit te voeren. Dit betekende dat wekelijks een nieuwe cantate gecomponeerd, in partijen uitgeschreven, ingestudeerd en uitgevoerd moest worden. Met de bijzondere feestdagen daarbij gerekend resulteerde dit in een zestigtal cantates per jaar, andere werkzaamheden nog buiten beschouwing gelaten.

Voor zijn tweede jaargang cantates in Leipzig stelde Bach zich een bijzondere opgave, die bovendien het teruggrijpen naar eerdere composities vrijwel onmogelijk maakte. Als uitgangspunt voor deze cantates koos hij oude lutherse kerkliederen, passend bij de zondag van het kerkelijk jaar.
Aan de cantate ligt het gelijknamige lied van Konrad Hubert uit 1540 ten grondslag. De eerste en laatste strofe zijn woordelijk overgenomen, de tussenliggende twee strofen zijn elk zeer vrij tot een recitatief met aria omgedicht. Het is een boetelied waarin om bevrijding van de drukkende zondelast en om een waarachtig Christelijk geloof wordt gevraagd. De aanleiding voor de keuze van dit koraal is waarschijnlijk gelegen in een fragment uit de derde strofe: vor allen Dingen lieben Dich / und meinen Nachsten gleich als mich, in de cantate geparafraseerd in het tenor/bas duet.


In het zondagsevangelie (Lucas 10, 23-37) houdt Christus een schriftgeleerde dit dubbelgebod van de liefde voor en vertelt hem op zijn vraag wie zijn naaste is de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan.
De cantate opent met een groots opgezette koraalbewerking. De cantus firmus ligt in de sopraan, ondersteund door de overige zangstemmen, die soms homofoon, soms ook imiterend begeleiden. De koraalregels zijn vervlochten in een thematisch geheel zelfstandige orkestpartij. Typerend in dit verband is Bachs aanduiding van de cantate als Concerto. In de ware zin van het woord concertare is het een twistgesprek, een wedijveren tussen hobo's en strijkers, die voortdurend elkaars motieven overnemen en beantwoorden. Het eerste instrumentale thema, dat canonisch door de andere stemmen wordt overgenomen, begint met de eerste zeven noten van de koraalmelodie. De centrale gedachte van de eerste koraalstrofe is de hoop en het vertrouwen op God als helper in aardse noden. Bach lijkt deze gedachte te symboliseren door het openingskoor met een Picardische terts in majeur te besluiten.
Het begin van het basrecitatief refereert aan een passage uit het boek Job. In een wat archaïsche vertaling: 'Hoe zou een sterveling gelijk hebben tegenover God? Indien hij met Hem wilde gaan rechten, niet één op duizend zou hij Hem kunnen antwoorden.' Met het karakter van de tekst verandert ook het karakter van de muziek bij de woorden mich wiederum erfreuen: het secco-recitatief gaat over in een arioso, waardoor deze woorden bijzondere nadruk krijgen.
De nu volgende aria is een trio voor alt, eerste viool en continuo, pizzicato begeleid door de overige strijkers. De furchtsam wankende Schritte waarvan in de tekst sprake is, worden uitgebeeld door de eerste viool. Deze speelt een melodie vol chromatische wendingen en syncopes, die de onzekerheid zeer treffend weergeeft. Wanneer de alt zingt doch hilft mir Jesu Trostwort wieder betekent dit natuurlijk het einde van de furchtsam wankende Schritte, en dus zwijgt dan de viool.
Het tenorrecitatief begint met de muzikale stijlfiguur die in de retorica bekend staat als exclamatio en die het angstige affect van de aanroep mein Gott heel treffend uitbeeldt. Met hoeveel aandacht voor de tekst Bach te werk gaat blijkt bijvoorbeeld uit de langer aangehouden noot op het woord halten. Zo drukt hij der Zuversicht berauben uit met een uiterst wrange harmonische wending in het continuo.
Het aansluitende duet is een prachtig gebed om liefde tot God en de naaste. Het is een kwintet voor twee hobo's, tenor, bas en continuo. De instrumentale en vocale stemmen zijn zó verwant dat deze aria zonder veel aanpassingen door een vocalistenkwartet uitgevoerd zou kunnen worden. De vele parallelle tertsen en sexten roepen een sfeer van innigheid op. Tekstschildering vinden we in dit duet duidelijk op de woorden stören Feinde meine Ruh: het 'stören' beeldt Bach uit met een drukke zestienden-beweging, Ruh met lange rustige noten. De cantate eindigt met de vierde en laatste strofe van het koraal, een lofzang op de Triniteit.

(toelichting van Jan Paul de Leeuw)




Vertaling

1. Koor
Allein zu dir, Herr Jesu Christ,
Mein Hoffnung steht auf Erden;
Ich weiß, dass du mein Tröster bist,
Kein Trost mag mir sonst werden.
Von Anbeginn ist nichts erkorn,
Auf Erden war kein Mensch geborn,
Der mir aus Nöten helfen kann.
Ich ruf dich an,
Zu dem ich mein Vertrauen hab.

Alleen op U, Heer Jezus Christus
is mijn hoop gericht op aarde;
Ik weet dat gij mijn trooster zijt
en niets anders kan mij troosten.
Van meet af aan is niets anders uitverkoren,
op aarde werd geen mens geboren
die mij uit de nood helpen kan.
Ik roep u aan
in wie ik mijn vertrouwen heb.

2. Recitatief B
Mein Gott und Richter,
willst du mich aus dem Gesetze fragen,
So kann ich nicht,
Weil mein Gewissen widerspricht,
Auf tausend eines sagen.
An Seelenkräften arm und an der Liebe bloß,
Und meine Sünd ist schwer und übergroß;
Doch weil sie mich von Herzen reuen,
Wirst du, mein Gott und Hort,
Durch ein Vergebungswort
Mich wiederum erfreuen.

Mijn God en Rechter,
als Gij mij uit de wet bevraagt,
dan kan ik,
omdat mijn geweten mij tegenspreekt,
op duizend vragen niet één antwoord geven.
Ik ben arm aan geestkracht en liefde
en mijn zonde is ernstig en bovenmatig groot.
Maar omdat ze mij van harte berouwen
zult Gij, mijn God en Beschermer,
door een woord van vergeving
mij wederom verheugen.

3. Aria A
Wie furchtsam wankten meine Schritte,
Doch Jesus hört auf meine Bitte
Und zeigt mich seinem Vater an.
Mich drückten Sündenlasten nieder,
Doch hilft mir Jesu Trostwort wieder,
Dass er für mich genung getan.

Hoe vreselijk wankelden mijn schreden,
maar Jezus hoort mijn smeken
en toont mij zijn Vader.
De lasten van zonden drukten mij neer
maar Jezus' troostwoord helpt mij weer
omdat Hij voor mij genoeg heeft gedaan.

4. Recitatief T
Mein Gott, verwirf mich nicht,
Wiewohl ich dein Gebot noch täglich übertrete,
Von deinem Angesicht!
Das kleinste ist mir schon
zu halten viel zu schwer;
Doch, wenn ich um nichts mehr
Als Jesu Beistand bete,
So wird mich kein Gewissensstreit
Der Zuversicht berauben;
Gib mir nur aus Barmherzigkeit
Den wahren Christenglauben!
So stellt er sich mit guten Früchten ein
Und wird durch Liebe tätig sein.

Mijn God, verwerp mij niet,
hoewel ik uw gebod nog dagelijks overtreed,
van voor uw aangezicht!
Het kleinste gebod houden
is voor mij al veel te moeilijk;
maar wanneer ik maar bid
om niets meer als Jezus' bijstand,
dan zal geen gewetensnood mij
van mijn vertrouwen beroven;
Geef mij alleen uit barmhartigheid
het ware christengeloof!
Dat brengt goede vruchten voort
en zal in liefde werkzaam zijn.

5. Duet T B
Gott, der du die Liebe heißt,
Ach, entzünde meinen Geist,
Laß zu dir vor allen Dingen
Meine Liebe kräftig dringen!
Gib, dass ich aus reinem Triebe
Als mich selbst den Nächsten liebe;
Stören Feinde meine Ruh,
Sende du mir Hülfe zu!

God die liefde heet,
ach, zet ook mijn Geest in vuur en vlam,
dat ik u boven alle dingen
krachtig liefheb!
Geef dat ik met een zuiver motief
mijn naaste liefheb als mijzelf;
en verstoren vijanden mijn rust,
zend Gij mij dan uw hulp!

6. Koraal
Ehr sei Gott in dem höchsten Thron,
Dem Vater aller Güte,
Und Jesu Christ, sein'm liebsten Sohn,
Der uns allzeit behüte,
Und Gott dem Heiligen Geiste,
Der uns sein Hülf allzeit leiste,
Damit wir ihm gefällig sein,
Hier in dieser Zeit
Und folgends in der Ewigkeit.

Eer zij God op de hoogste troon
de Vader van alle goeds,
en Jezus Christus, zijn liefste Zoon
die ons altijd behoedt,
en God de heilige geest,
die ons zijn hulp altijd geeft,
opdat wij Hem welgevallig zijn
hier in deze tijd
en vervolgens in de eeuwigheid.